| |
Uitspraken Uitleveren aan VS staat gelijk aan veroordelen Een kritische noot ten aanzien van het vertrouwen in het Amerikaanse rechtssysteem
Mark Teurlings staat als advocaat, naast enkele anderen in soortgelijke zaken, onder meer de in de media vaak genoemde Kenneth Muskiet bij in zijn strijd tegen het Amerikaanse verzoek om uitlevering.
De laatste tijd krijgt de uitlevering van verdachten aan de Verenigde Staten de nodige aandacht. Dit komt voornamelijk door de plotselinge groei van het aantal uitleveringsverzoeken. In dit artikel zal worden uitgelegd waarom de betrokkenen, de opgeëiste persoon zelf, diens familie, vrienden en advocaat zich telkens zo opwinden over die uitlevering. Ten aanzien van de opgeëiste persoon richt dit artikel zich op Nederlanders en in Nederland geïntegreerde vreemdelingen. Oproep aan juristen om wakker te worden.
Een verdachte in de Verenigde Staten wordt psychisch gedwongen een overeenkomst met de officier van justitie aan te gaan, een zogenaamde 'plea agreement'. Indien men de weg van de volledige procedure voor een rechter en jury kiest (judge and jury) staat statistisch vast dat 90% wordt veroordeeld. Bij drugsdelicten kan bij een 'full trial' een straf worden verwacht van 20 jaar of meer. Na de aanhouding wordt een verdachte geconfronteerd met enig bewijs. Door agenten en de plaatselijke officier van justitie wordt duidelijk gemaakt dat men genoeg bewijs heeft voor een vervolging voor de rechter. Een tipje van de sluier van het aanwezige bewijs wordt opgelicht teneinde te trachten de verdachte ervan te overtuigen dat er voldoende bewijs is. Vervolgens wordt de vraag voorgelegd of de verdachte voor de gehele procedure ('full trial') wil gaan of iets wil regelen. De verdachte mag daar rustig over nadenken. Het systeem waar de verdachte mee wordt geconfronteerd kent een 'verraderscultuur'. Het klinkt banaal, maar zo wordt het systeem in de VS door de meeste betrokkenen genoemd. Men krijgt uitgelegd, en merkt dat direct in het Huis van Bewaring, dat men er als verdachte bij gebaat is een naam te noemen van een ander. Het maakt niet uit of de persoon van wie de naam wordt genoemd daadwerkelijk iets op zijn kerfstok heeft, aangezien de persoon op basis van die ene verklaring kan worden aangehouden, indien nodig kan worden uitgeleverd en in hetzelfde systeem terecht komt. Het systeem houdt zichzelf daardoor in stand. Veel aangehouden verdachten zoeken naar mogelijkheden zo snel mogelijk vrij te komen en deinzen er niet voor terug verhalen te verzinnen of mensen te beschuldigen die van niets weten. Tijdens de overwegingsperiode die door de autoriteiten wordt gegeven, wordt een verdachte geconfronteerd met de richtlijnen inzake drugsdelicten. In dit artikel wordt van deze richtlijnen uitgegaan aangezien de meeste uitleveringszaken te maken hebben met de verdenking van betrokkenheid bij drugsdelicten. Uit de richtlijnen kan worden afgeleid dat indien sprake is van een hoeveelheid van meer dan 204000 XTC-pillen als uitgangspunt van onderhandeling een 'level 38' wordt genomen. Uit een zogenaamde 'sentencing table', welke net als de drugsrichtlijnen in de gehele Verenigde Staten als uitgangspunt geldt, kan worden afgeleid dat een 'level 38' gelijk staat aan 235 tot 293 maanden gevangenisstraf. Dat is dus ongeveer 20 jaar gevangenisstraf of meer. Dit is niet het maximum dat zou kunnen worden opgelegd, zelfs een levenslang is niet uitgesloten. Een officier van justitie in de VS kan op basis van vermoedens stellen dat er sprake is van meer dan 204000 pillen zonder dat die pillen ooit hebben bestaan. Het vermoeden dat over een groot aantal pillen is gesproken is reeds voldoende. Het levelsysteem is flexibel. Indien men de volledige medewerking verleent gaan er levels en dus jaren gevangenisstraf van de straf af. Er zijn verschillende opties. Zo kunnen er bij een bekentenis drie levels van afgaan, als men meewerkt met het onderzoek nog een paar levels en ook een aantal jaren als wordt aangetoond dat de rol in het delict ondergeschikt is. Maar vooral indien men anderen verraadt, namen noemt waardoor anderen kunnen worden aangehouden ('snitching'), vliegt het aantal levels en aantal jaren omlaag. Om deze reden heerst er in de Verenigde Staten als gezegd een 'verraderscultuur'. Er komen echter levels (lees: jaren) bij indien niet wordt meegewerkt, indien sprake is van een leidersrol en indien bijvoorbeeld sprake is van eerdere veroordelingen. Vaak wordt als extra beschuldiging 'Money Laundering' tenlastegelegd gelegd zodra er geldstromen zijn. Op deze wijze komt de straf op basis van hetzelfde feitencomplex, waarvoor ook een maximum van 20 jaar geldt, boven de 20 jaar, ondanks het feit dat sprake is van een een andersoortig tenlastegelegd feit. Op grond van het artikel 15 lid 2 van het Verdrag tussen Nederland en de VS zou die wijziging na een uitlevering nog zijn toegelaten ook. De verdenking van 'Money Laundering' wordt vaak op een indictment (aanklacht) geplaatst om de druk bij een verdachte op te voeren. Het specialiteitsbeginsel gaat dan vanwege artikel 15 lid 2 niet op. Dan blijft over het vertrouwensbeginsel en dat vertrouwen is niet terecht. Een dergelijke zaak speelde in de VS en daar werd de betrokkene door een rechter vrijgesproken van de extra beschuldiging. Dat gebeurde na enig overleg buiten de zitting hetgeen niet wegneemt dat de beschuldiging er wel was en dat er buitengewoon overleg nodig was om van de aanklacht af te komen. Een en ander blijkt uit een antwoord van de Minister na kamervragen (brief van 17 juni 2002 aan de Vaste commissie van justitie, de zaak Mooring, niet-dossier stuk Tweede Kamer 2001-2002, just020499). Tijdens een onderhandeling over de plea agreement is een dergelijk overleg (lees: politieke druk) echter niet mogelijk aangezien aannemelijk is dat de roep om politieke druk de onderhandelingen zullen frustreren. Hoe onterecht het vertrouwen is bleek mij de afgelopen maand toen een Nederlandse cliënt, die de plea agreement was aangegaan ten aanzien van de export van drugs en 'Money Laundering' bij het 'pre sentencing report' (een rapport waarin een probation officer de strafhoogte aan de rechter adviseert nadat de guilty plea is geweest) werd geconfronteerd met een hogere straf dan aangenomen en verwacht. Na zijn aanhouding bleek de straf voor 'Money Laundering' in de sentencing guidelines te zijn verzwaard met terugwerkende kracht. De straf is om deze reden 26 maanden hoger uitgekomen dan waar hij bij het sluiten van de plea agreement van was uitgegaan. Onderdeel van de onderhandelingen is ook geweest de terugkeer naar Nederland. Die terugkeer is nog steeds niet gegarandeerd. Het betreft overigens geen uitleveringszaak maar het is wel kenmerkend voor de gang van zaken in de Verenigde Staten. De verdachte die is aangehouden krijgt de uitleg over dit systeem van zijn advocaat en medegedetineerden. Indien de officier van justitie stelt bewijs te hebben en dit bewijs, ook al is het compleet onrechtmatig of onjuist, moeilijk weerlegd kan worden, zal een ieder de verdachte adviseren om te gaan onderhandelen met de officier van justitie over het gehanteerde level. Is er op een bepaald moment overeenstemming over het 'level' dan volgt er een 'plea agreement' welke aan de rechter wordt voorgelegd. Deze pleegt de plea agreement te volgen. Een onderzoek door de rechter naar de betrouwbaarheid van anonieme getuige, pseudokoop of uitlokking zal niet plaats vinden. Ruim 92% van de verdachten in de VS kiest noodgedwongen voor deze plea agreement.
Uitlevering en politiek onlosmakelijk met elkaar verbonden Naar mijn mening is er al jaren een politiek spel bezig en staat Nederland onder zware politieke druk van de Verenigde Staten. De politici in de Verenigde Staten willen laten zien dat zij hard optreden tegen onder andere de invoer van drugs. Na de ontmoeting tussen Clinton en Kok een paar jaar terug is het aantal uitleveringsverzoeken gestegen en staat de Minister van Justitie bereidwilliger tegenover een ingediend uitleveringsverzoek. Negatieve adviezen van de rechtbank worden door de Minister van Justitie over het algemeen genegeerd. Martin Witteveen, landelijk officier van de Unit Synthetische Drugs laat in Vrij Nederland van 13 juli 2002 weten dat er veel veranderd is sinds de ontmoeting tussen Kok en Clinton en dat het allemaal makkelijker gaat. Waarmee is gedreigd door Clinton weten we niet, maar ik denk dat ervan uit kan worden gegaan dat economische motieven ten grondslag liggen aan het zwichten voor de druk van Amerika. Ook ten aanzien van de 'war on drugs' geldt 'If you're not with us, you're against us'. Halverwege 2002 kreeg Nederland nota bene een compliment van directeur van de Drugs Enforcement Agency (DEA), Hutchinson. Uitleveringsverzoeken zouden eigenlijk alleen al om deze reden ontoelaatbaar moeten worden verklaard aangezien in artikel 4 van het Verdrag tussen Nederland en de VS wordt bepaald dat wanneer wordt aangetoond dat het verzoek tot uitlevering met een politiek oogmerk is gedaan, de uitlevering niet wordt toegestaan. Blijkens de Memorie van Antwoord bij artikel 4 van het Verdrag behoeft dit politiek motief niet uitsluitend met feiten te worden aangetoond maar zijn vermoedens voldoende om de uitlevering te weigeren. Me dunkt dat die vermoedens bestaan en dat het motief van het uitleveringsverzoek niet uitsluitend wordt gevraagd ten behoeve van het berechten van opgeeïste personen, maar dat er inderdaad andere doeleinden zijn die niet dienen te worden gehonoreerd (zie ook Remmelink, Uitlevering, 4e druk, 1990, p. 340). Volgens C.H. Pyle zijn uitlevering en politiek in de VS onlosmakelijk met elkaar verbonden (C.H. Pyle, Extradition, Politics and Human Rights, Temple University Press, Philadelphia 2001). Een dergelijk oordeel kan natuurlijk niet aan de politiek (lees: de Minister) zelf worden overgelaten. Daar moet de rechter naar mijn mening een oordeel over geven. Met de rechtshulp in de VS is het beroerd gesteld. Iemand heeft wel recht op een toegevoegde advocaat van de staat, maar dat is niet zo geregeld als in Nederland. Er zijn veel slechte advocaten. De verhalen over slapende en dronken advocaten zijn niet verzonnen. Bovendien hebben de toegevoegde advocaten daar zo veel werk dat ze amper tijd hebben om een cliënt daadwerkelijk bij te staan. Vaak probeert men zo snel mogelijk een 'plea agreement' tot stand te brengen zonder echt moeite voor de cliënt te doen. Wil men in de Verenigde Staten goede juridische bijstand hebben, ook voor de plea bargaining, dan kost dat minimaal $ 25 000, vooruit te betalen. De meeste verdachten hebben dat geld niet. Door het systeem in de VS zal een verdachte, indien hij door Nederland zou worden uitgeleverd, nooit een eerlijk proces krijgen. In Nederland zouden anonieme verklaringen van criminelen nooit op deze wijze voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Wij zouden spreken van onrechtmatig verkregen bewijs en gebruik daarvan is in strijd met de mensenrechten. Iedere zaak zou in Nederland tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie leiden. Officieren en oud-officieren van justitie geven dat onomwonden en zonder schaamte toe. Indien een vervolging in Nederland niet mogelijk blijkt, bestaat nog wel de mogelijkheid de vervolging in de VS te laten plaatsvinden. Indien een verdachte wordt uitgeleverd is in feite geen sprake van een uitlevering, maar van een veroordeling. Door het gebrek aan keuze wordt iemand die naar de VS wordt uitgezet in feite al veroordeeld. De gang van zaken in de Verenigde Staten, de onmenselijke behandeling en de flagrante schending van het recht op een eerlijk proces is in strijd met de mensenrechtelijke verdragen. De Hoge Raad gaf op 21 mei 2002 (Nieuwsbrief Strafrecht 2002/171) aan dat er wel sprake kan zijn van een flagrante strijd met het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens indien de overeenkomst met de Amerikaanse officier van justitie op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of onredelijke onevenredige gevolgen voor de verdachte zou hebben. Nu duidelijk is dat een verdachte tot een keuze wordt gedwongen en vervolgens wordt gedwongen om te bekennen en mee te werken, is in veel van deze zaken in de VS sprake van die door de Hoge Raad beschreven onrechtmatige rechtsgang en is inderdaad sprake van een onzorgvuldige wijze van tot stand komen en een onredelijk onevenredig gevolg. Dat de Amerikanen daar genoegen mee nemen moeten zij weten, maar ik ben van mening dat onze burgers daar geen slachtoffer van mogen zijn. Met de uitspraken van Soering en Short (HR 30 maart 1990, NJ 1991, 249 met lezenswaardige noot AHJS) leggen de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het toepassingsgebied van de verdragen en met name het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) ruim uit. Ofschoon de Verenigde Staten niet zijn aangesloten bij het EVRM ben ik van mening dat het EVRM bij de beoordeling van uitleveringsverzoeken ten aanzien van burgers die zelf wel onder het EVRM vallen, niet buiten beschouwing kan worden gelaten. In ieder geval niet het doel en de strekking van het EVRM. In de Soering-zaak maakte het Europees Hof duidelijk dat de norm van artikel 3 EVRM prevaleert boven ander internationaal recht. In die zaak ging het om het Uitleveringsverdrag tussen het Verenigd Koninkrijk en de VS. Een rechter komt er in de VS niet aan te pas bij het proces van keuzes maken. Van een eerlijke onderhandeling is dan ook geen sprake. Dat feit alleen al maakt duidelijk dat sprake is van een enorme flagrante schending van het recht op een eerlijk proces. Onze relatie met de Verenigde Staten vraagt dat wij het vertrouwen hebben dat de Amerikaanse strafrechtelijke procedure voldoende waarborgen biedt voor de Nederlandse onderdaan. Maar dat vertrouwen is misplaatst. De praktijk van het Amerikaanse strafrecht, vooral in drugszaken, biedt onvoldoende garanties op een eerlijk proces.
Amerikanen over het eigen rechtssysteem Het gerenommeerde Amerikaanse televisieprogramma 'Frontline' (vergelijkbaar met Netwerk of Nova) heeft een groot onderzoek gedaan naar het Amerikaanse rechtssysteem en heeft daarbij veel deskundigen om hun mening gevraagd. (Zie hiervoor http://www.pbs.org/wgbh/pages/frontline/shows/snitch/). Een aantal vooraanstaande Amerikaanse juristen uit zware kritiek op het systeem. Zo houdt Frontline een interview met Mr. Sterling, een jurist die nauw betrokken was bij het opzetten van het systeem zoals dat nu werkt in de VS. Hij legt uit dat het systeem snel in elkaar is gezet nadat een bekende basketbalspeler aan een overdosis overleed en de politici elkaar overschreeuwden met plannen over de 'war on drugs'. Zonder onderzoek, zonder raadpleging van de praktijk, rechters, advocaten et cetera werd dit systeem ingevoerd.
Sterling zegt onder meer: 'One result of the conspiracy amendment is that low-level traffickers can get very long sentences. They can also be the victims of lies by codefendants who have figured out how to cut a deal and manipulate the sentencing laws to their advantage.'
En verder: 'A drug offender while in jail awaiting trial may learn the names of other persons awaiting trial. He may learn all about substantial assistance. He may learn that he can easily make up a story that will get him out of prison fairly soon if his story provides "substantial assistance" in the prosecution of someone else as a "high level trafficker." The quantity of drugs in a drug case need not be shown by physical evidence. You don't need 500 kilograms of cocaine powder to establish 500 kilograms for sentencing purposes. The simple testimony of a witness, usually offering "substantial assistance," is enough to "prove" that a quantity of drugs was sold. A clever informant can prove that someone else is a "high level trafficker" without too much trouble. In een tweede interview antwoordt Sterling op de vraag: 'Doesn't the prosecution know that people are lying?' 'The entire criminal justice system knows that perjury is the coin of the realm. In New York City police officers call it "testalying". In Los Angeles they call it "the liar's club". Everybody knows that lying takes place. The prosecutors don't feel bad about it, this is simply part of the system.' En verder: 'We believe in the presumption of innocence as a society. Once you get in the courtroom, that presumption is very, very thin.' Verder vertelt hij in het interview over de eenvoud van het beschuldigen van onschuldigen, betaalde informanten, rechters die ermee stoppen omdat ze niet meer kunnen leven met zichzelf, verzonnen verhalen en advocaten die bang zijn te worden beschuldigd door hun cliëntèle. Ook is er een interview met een voormalig officier van justitie Bennett Gershman. Ook hem citeer ik: 'The office of the prosecutor is an institution. The prosecutor's office does not want to acknowledge error. They won't acknowledge a mistake. They won't acknowledge that innocent people have been convicted.' En verder: 'The prosecutor doesn't think the defendant is innocent. The judge and jury found them guilty. The appellate courts reaffirmed the guilt. The prosecutor believes, and knows to a certainty, that this defendant is guilty. ... He can't bear to change his mind. Even if you gave him good reason, he'd say you're wrong.' En 'Is actual innocence really relevant? It certainly isn't relevant to many of these prosecutors and to courts.' In dit interview vertelt hij verder dat prosecutors het politiek goed willen doen en dat zij het systeem niet willen veranderen aangezien ze daar niet bij zijn gebaat. Zij blijven immers steeds slagen in hun werk. Dat het ten koste gaat van onschuldigen interesseert hen niet. Tenslotte noem ik een interview met Judge Sweet, een rechter in New York. Uit het hele interview blijkt dat deze rechter niet tevreden is met het systeem. Sweet zegt: 'The tendency to use informers has grown particularly in the drug cases, and it can be subject to abuse ...' Op de vraag of er een verhoogd risico is dat de persoon die een guilty plea aflegt niet de waarheid spreekt zegt Sweet: 'Sure. There's no question that that's there.' 'The judge really doesn't have very much play in terms of that determination ...' 'The only place where the judge gets into it is when he accepts the guilty plea. But then the criminal is pleading to the charge which the prosecutor and he have worked out, and so there really isn't any question of credibility at that juncture. If you're asking me is there any way to ensure that the testimony of the informant is honest, I think the only way is not to take informant's testimony. But, that's not something that prosecutors would accept in today's world.' Vers in het geheugen ligt de speech van aftredend gouverneur van Illinois (VS) George Ryan die op 10 januari 2003 op de Northwestern Univerity zijn beslissing kenbaar maakte dat tegen geen van de personen op 'death row' daadwerkelijk de doodstraf tenuitvoer zou worden gelegd. Hij sprak over de strijd tegen het oneerlijke Amerikaanse rechtssysteem waarbij hun 'capital system is haunted by error: error in determining guilt and error in determining who among the guilty deserves to die.' Hij beschreef de strijd als 'what is shaping up to be one of the great civil rights struggles of our time.' En zo voelt het inderdaad. In de Verenigde Staten waarschuwen advocaten hun cliënten voor het moment dat zij voor de rechter staan. Na het sluiten van de plea agreement moet deze ten overstaan van een rechter worden bevestigd. Alles wat de officier van justitie naar voren brengt moet door de verdachte worden bekend. Er is een zaak geweest waarbij de verdachte per ongeluk tegen de rechter zei dat het niet helemaal juist was maar hij toch maar akkoord was gegaan met de plea agreement. De rechter besloot dat hij de plea agreement niet kon bevestigen, er kwam een full trial met een jury en de man kreeg drie keer zoveel straf als eerst overeen was gekomen. Vanwege deze in de VS zeer bekende zaak zijn verdachten ten overstaan van een rechter gedwongen te liegen teneinde hun plea agreement niet in gevaar te brengen. Een cliënt van mij in de VS vergiste zich begin november van het vorig jaar door aan te geven dat zijn rol kleiner was dan de officier deed voorkomen. Gelukkig konden de advocaten de rechter uitleggen dat hun cliënt schrok van de bewoordingen maar dat zij en hun cliënt zich zeker konden vinden in de conclusies van de officier van justitie. De cliënt moet liegen tegen de rechter. Wat is er na het bestuderen van deze verklaringen van deskundigen nog meer nodig om vast te stellen dat sprake is van een verhoogd risico op een flagrante schending van het recht op een eerlijke berechting. De Minister van Justitie en een groot deel van de rechterlijke macht menen dat er vertrouwen moet zijn in het rechtssysteem van onze verdragspartner. Op het moment dat duidelijk is dat het vertrouwen niet terecht is moet er echter ruimte zijn opnieuw naar het verdrag te kijken. Een enkel lid van de rechterlijke macht toont lef door kritisch naar de uitleveringsverzoeken uit de Verenigde Staten te kijken, maar de Minister willigt praktisch alle verzoeken in. Opzienbarend was de beslissing van het Gerechtshof Amsterdam naar aanleiding van een klacht. Het Hof stelde in een beslissing van 14 maart 2002 vast (nr R218.00, Nieuwsbrief Strafrecht 2002/175) dat niet valt in te zien op welke wijze (naar Nederlandse maatstaven gemeten) goede rechtsbedeling gediend zou zijn met berechting elders, indien aannemelijk is dat aldaar een straf zal worden opgelegd die aanmerkelijk hoger is, dan volgens de Nederlandse rechter passend en geboden is. Het Hof merkte terecht op dat de normbevestiging in Nederland, waarbij als gevolg van een gunstiger strafklimaat alhier de vervolging in Nederland voor de klager gunstiger kan uitpakken dan een vervolging in de Verenigde Staten, geen afbreuk kan doen aan de gevolgtrekking dat het in het belang van een goede rechtsbedeling gewenst is dat klager in Nederland wordt berecht. De klager in deze zaak was nota bene een individu met de Amerikaanse nationaliteit.
De facto dwang en onschuldpresumptie De Hoge Raad gaf op 21 mei 2002 (Nieuwsbrief Strafrecht 2002/171) aan dat er wel sprake kan zijn van een flagrante strijd met artikel 6 EVRM indien de overeenkomst (de 'plea agreement') op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of onredelijke onevenredige gevolgen voor de verdachte zou hebben. Nu duidelijk is dat een verdachte tot een keuze wordt gedwongen en vervolgens wordt gedwongen om te bekennen en mee te werken, is zoals gezegd sprake van een onrechtmatige rechtsgang en is inderdaad sprake van een onzorgvuldige wijze van tot stand komen en een onredelijk onevenredig gevolg. De de facto dwang is immers strijdig met de in het IVBPR en het EVRM neergelegde onschuldpresumptie. Zoals mr Holtrop op 14 november 2002 in kort geding terecht vaststelde (Nieuwsbrief Strafrecht 2002/354) is een dergelijke dwang strijdig met het, ook in het internationale recht verankerde grondbeginsel dat een verdachte niet kan worden gedwongen mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Voor een verdachte die een overeenkomst niet wenst te sluiten, duurt het strafproces veel langer dan wanneer hij wel tot een plea bargaining overgaat. Alleen wanneer het feit direct wordt bekend en niet voor de 'plea agreement' of de 'trial and jury' wordt gekozen kan de procedure sneller lopen. Men kan afstand doen van het recht op een jury, maar uitsluitend indien zowel de rechter als de officier van justitie daarmee instemmen. De officier heeft derhalve ook alweer een mogelijkheid dat recht te beïnvloeden. Een officier zal dat niet snel doen aangezien zulks door de rechter kan worden opgevat als een motie van wantrouwen hetgeen de officier in andere procedures duur kan komen te staan. In de praktijk kiezen verdachten, als ze al van de 'plea agreement'afzien, op aanraden van hun advocaten overigens liever voor de juryrechtspraak, ondanks de langere duur van de procedure, aangezien de rechters vanwege hun benoeming door de politiek, de kant van de politiek en de officier van justitie plegen te volgen en advocaten om die reden meer vertrouwen hebben in een jury. De langere periode van strafproces heeft uiteraard zijn negatieve weerslag op de duur van de voorlopige hechtenis, het regime van de detentie en uiteindelijk ook op de termijn waarbinnen de verdachte kan terugkeren naar Nederland indien hij in de VS wordt veroordeeld en zijn straf in Nederland wenst uit te zitten. Een dergelijk verschil levert ook strijd op met de in het IVBPR en EVRM neergelegde normen dat strafprocedures binnen een redelijke termijn moeten worden afgewikkeld en dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Ik wijs in dit kader ook op een arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2001 (nr 00403/00 U). De Hoge Raad stelde vast dat een uitlevering onder omstandigheden ontoelaatbaar kan worden verklaard indien de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM wordt overschreden. In die zaak kwam de Hoge Raad niet tot dat oordeel. Aangezien vóór de uitlevering al duidelijk is dat die termijn wordt overschreden moet de uitlevering ontoelaatbaar worden verklaard. Ten aanzien van al de genoemde rechtsgronden waarop een beroep wordt gedaan wijs ik op het effectiviteitsbeginsel zoals dat onder meer door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) wordt gehanteerd. Dit beginsel brengt met zich mee dat de toepassing van de in het EVRM gewaarborgde rechten niet afhankelijk dient te zijn van formaliteiten en dat deze rechten niet mogen worden gereduceerd tot een fictie. Deze rechten dienen te worden gegarandeerd op een wijze die als 'practical and effective as opposed to theoretical and illusory' kan worden gekwalificeerd (zie EHRM: Allenet de Ribemont vs France, 10 februari 1995, A. 308, p.16; Artico vs Italy, 13 mei 1980, A.37, p.16, para 33; Soering vs UK, EHRM 7 juli 1989, NJ 1990, 158, A. 161, p.34, para. 87) In het tussenvonnis van mr Holtrop, de Voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, vraagt deze opheldering aan de Staat over het Amerikaanse rechtssysteem. Sindsdien heeft hij in op 27 november en 3 december dezelfde uitspraken gedaan en de zaken aangehouden in afwachting van antwoorden van de Staat (KG 02/1163, LJN-nummer AF1116 en KG 02/1318).
De vragen luiden als volgt: 1. zijn er in het verleden aan de autoriteiten van de VS Nederlandse onderdanen of in de Nederlandse samenleving geïntegreerde personen uitgeleverd aan wie door die autoriteiten, na die uitlevering, geen 'plea-bargain' is aangeboden dan wel die de hun aangeboden 'plea-bargain' niet hebben aanvaard? 2. indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord: a. hoe is de rechtsgang in de VS ten aanzien van die onderdanen/personen vervolgens verlopen? b. hoeveel tijd is er in die zaken verstreken tot het moment waarop die onderdanen/personen (wederom) aan de Nederlandse autoriteiten zijn overgedragen? 3. hoe is, meer in het algemeen, de prognose van het verloop en de afwikkeling bij het volgen van de verschillende rechtsgangen? 4. waarop is de stelling gebaseerd dat onduidelijk is of aan eiser, nadat hij is uitgeleverd aan de autoriteiten van de VS, een voorstel tot 'plea-bargaining' zal worden gedaan? Ik had mij kunnen voorstellen dat mr Holtrop nog veel meer vragen had gesteld, maar het is zeker een goed begin. Helaas heeft de Minister beroep tegen het tussenvonnis ingesteld. Het tussenvonnis creëerde uitdrukkelijk die mogelijkheid. In de grieven wordt al een voorzichtig voorschot op een antwoord gegeven op een van de vragen, ik citeer: 'Voor eenieder zal duidelijk zijn dat een strafoplegging die volgt op een 'plea agreement' sneller haar beslag krijgt dan die welke volgt op een reguliere berechting' (p. 8 van de appèldagvaarding). In het NRC van 16 december 2002 werd al gerept over het feit dat in de grieven werd gesproken over de relatie met de Verenigde Staten die onder druk kan komen te staan. Op kamervragen deed de Minister in december 2002 alle moeite om dit punt uit de grieven te ontkrachten. De Minister moet wel ontkennen dat het niet gaat om die relatie met de Verenigde Staten aangezien, zoals ik hiervoor al besprak, blijkens het Uitleveringsverdrag met de VS juist dit politieke motief geen rol bij de uitleveringsprocedure mag spelen. Aangezien de Minister te kennen gaf dat een en ander uit zijn verband was gerukt citeer ik hierbij de passage: 'Naar het oordeel van de Staat is het bestreden tussenvonnis principieel onjuist. Zonder goede aanleiding wordt een pijler onder het uitleveringsrecht, te weten het vertrouwensbeginsel, terzijde gesteld en worden vragen gesteld die raken aan de kern van de Amerikaanse strafrechtspleging. Hoewel een bevredigende beantwoording van die vragen wellicht mogelijk zou zijn, acht de Staat het volgen van die weg zeer ongewenst. Verdragspartijen zouden dat aldus uitleggen dat de Staat de rechtspraak van de Hoge Raad over het vertrouwensbeginsel niet meer zo strikt opvat, en dat de Staat bereid is om niet of nauwelijks onderbouwde kritiek op hun rechtspleging te (doen) onderzoeken, met alle belastende effecten voor de betrekkingen met die staten van dien' (p. 12 van de appèldagvaarding). Op dit moment moet derhalve worden afgewacht wat het gerechtshof van het tussenvonnis vindt en wellicht dat daarna de Hoge Raad het tussenvonnis moet beoordelen ofschoon de Staat dat tracht te voorkomen. Op 6 februari 2003 liet de Minister weten dat in afwachting van de afloop van deze procedure voorlopig geen Nederlanders aan de Verenigde Staten worden uitgeleverd. Tevens gaf de Minister aan dat hij overweegt het beroep in te trekken aangezien het anders te lang duurt voordat de uitleveringen weer op gang komen. Ten tijde van het schrijven van dit stuk was nog geen beslissing van de Minister bekend.
Voorstel om te komen tot een wetswijziging
Op 31 januari 2003 verdedigde Alette Smeulers een proefschrift aan de Universiteit van Maastricht met de titel 'In staat van uitlevering' en met de ondertitel 'Houden uitleveringsrechters in Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten voldoende rekening met het proces en de behandeling die de opgeëiste persoon in de verzoekende staat na uitlevering te wachten staan?' (Uitgeverij Intersentia, ISBN 90-5095-256-9). De conclusie van de promoverende Smeulers is dat de minister van Justitie zich niet meer moet bemoeien met de uitlevering van verdachten aan andere landen. Nu schuiven rechters de beslissing over uitleveringsverzoeken te gemakkelijk door naar de minister. Omdat die ook rekening moet houden met de buitenlandse betrekkingen, krijgt de beslissing een politiek karakter en wordt de uitlevering niet op juridische gronden bekeken. Het recht op een eerlijk proces en menselijke behandeling is daardoor niet verzekerd, aldus Smeulers. Volgens haar scoort ons land bij uitleveringen slecht als het gaat om eerbiediging van de mensenrechten. Zij pleit ervoor de verantwoordelijkheid voor uitlevering geheel bij de uitleveringsrechter te leggen. 'De minister kan dan zeggen: ik heb te leven met de regels die hier gelden. De rechter beslist, ik niet. Hij kan zijn handen wassen in onschuld. Verdachten zouden er een stuk mee geholpen zijn als ze gevrijwaard waren van politieke druk' zegt ze in het Algemeen Dagblad van 24 januari 2003. 'Dat Nederland niet als slechtste uit de bus komt, is alleen te danken aan de kortgedingrechters. Die laten nu zien dat zij ook de minister durven aanvechten.' Volgens Smeulers zou Nederland een voorbeeld moeten nemen aan Duitsland, waar rechters juist diep ingaan op een uitleveringsverzoek. 'Daar wordt extra goed gekeken naar de mensenrechten. Is er twijfel of de verdachte een eerlijk proces krijgt, dan wordt gewoon meer onderzoek gedaan, totdat het duidelijk is. De bevoegdheid ligt daar bij de rechter. De minister is afhankelijk van diens oordeel.' In de VS bestaan volgens Smeulers helemaal geen waarborgen tegen uitlevering. Wordt een verzoek ingewilligd, dan is er voor de verdachte vrijwel geen beroep mogelijk. Dat kan de wrevel verklaren bij de VS over de Nederlandse tegenwerking bij uitlevering van xtc-verdachten door lage rechters, als de minister al akkoord is. 'Dat is voor de Amerikanen ondenkbaar. Een lage rechter mag zich daar nooit buigen over het rechtssysteem in een ander land; dat is buitenlandse politiek en voorbehouden aan de minister.' In haar conclusie geeft mevrouw Smeulers aan dat haar voornaamste voorstel is om in de nieuwe uitleveringswet een bepaling op te nemen die de rechter expliciet verplicht de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon in de verzoekende staat een reëel risico loopt gefolterd dan wel onmenselijk behandeld of bestraft te worden of het gevaar loopt geen eerlijk proces te krijgen dan wel wanneer de o.p. reeds een van genoemde schendingen in de verzoekende staat heeft moeten ondergaan (pagina 513 van het proefschrift). Nu de wet in verband met de inwerkingtreding van het Europees Aanhoudingsbevel toch gewijzigd moet worden is dit volgens Smeulers een uitgelezen kans om er nu voor zorg te dragen dat de rechter zich in de nieuwe uitleveringsprocedure kan uitspreken over alle weigeringsgronden. Aangezien uit artikel 1 van het Folteringsverdrag van 10 december 1984 (New York, Trb. 1985, 69) blijkt dat onder foltering tevens wordt verstaan iedere handeling waarbij geestelijk leed wordt toegebracht met het oogmerk een bekentenis te verkrijgen dan wel te bestraffen voor een handeling waarvan hij wordt verdacht, dan wel hem te intimideren of ergens toe te dwingen en dit leed wordt toegebracht door een overheidsfunctionaris, lijkt mij de wijziging zeker met het oog op de rechtsgang in de Verenigde Staten een goede stap. Naar mijn mening moet er inderdaad veel veranderen;
- Nederlanders en ingeburgerde vreemdelingen die verdacht worden van strafbare feiten die op Nederlands grondgebied hebben plaatsgevonden moeten niet worden uitgeleverd maar in Nederland worden berecht.
- In het Verdrag met de VS dient de garantie te worden opgenomen dat Nederlanders en in Nederland geïntegreerde vreemdelingen (denk aan Surinamers die hier hun hele leven lang wonen en waarvan Kenneth Muskiet op dit moment een schrijnend voorbeeld is) die aan de Verenigde Staten worden uitgeleverd terstond en onverwijld na een onherroepelijke veroordeling terug kunnen keren naar Nederland om hier de straf uit te zitten. De VS heeft verklaard zich welwillend op te stellen ten aanzien van dit soort verzoeken, maar in de praktijk wordt de procedure zoveel mogelijk gerekt en worden eerste verzoeken tot teruglevering afgewezen. Het is momenteel ongeschreven beleid om veroordeelden minstens een derde van de straf in de VS te laten uitzitten.
- De rechterlijke macht moet een ruimere bevoegdheid krijgen om te toetsen dat geen gebruik wordt gemaakt van bewijsmiddelen of opsporingsmethoden welke in Nederland niet zouden mogen worden gehanteerd. Indien er aanwijzingen zijn dat sprake is van een verhoogd risico op een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces, dan moet de rechter dat zelfstandig kunnen onderzoeken.
- Niet de Minister moet het laatste woord bij een uitlevering hebben maar de rechter, welke net als de rechter in Duitsland de toelaatbaarheid van het verzoek op alle facetten moet kunnen beoordelen. Op dit moment kan een rechter slechts een oordeel vellen over enkele formeel-juridische aspecten. In dit kader sluit ik mij geheel aan bij de conclusie van Alette Smeulers en de door haar voorgestelde wijziging in de wet. Indien de beslissing geheel aan de rechter wordt overgelaten kan worden voorkomen dat de minister wordt gedwongen zich expliciet over een mensenrechtensituatie of een rechtssysteem uit te spreken terwijl deze dat op dat moment niet zou willen aangezien het politiek gezien niet opportuun zou zijn. Ook wordt voorkomen dat de uitleveringsrechter verwijst naar de minister en de minister zich vervolgens verschuilt achter het oordeel van diezelfde rechter. Het is een ongewenste situatie dat op dit moment de voorzieningenrechter in Den Haag als vangnet voor verkeerde beslissingen fungeert. De periode van onzekerheid voor een o.p. is daarvoor veel te lang en de verantwoordelijkheid voor deze rechter te groot.
Juristen, wordt wakker en verenigt u! Als door de VS uw uitlevering wordt gevraagd omdat iemand iets over u heeft gezegd, wilt u een eerlijke kans op een berechting. Daar moeten we voor vechten. De rechtsgang in de Verenigde Staten is niet eerlijk. Zoals op zoveel politiek gevoelige punten durft bijna niemand stelling te nemen tegen de Verenigde Staten. Maar het kan toch niet zo zijn dat wij ons zo in de maling laten nemen en onze eigen burgers uitleveren aan een rechtssysteem waar geen 'fair trial', geen eerlijke berechting bestaat. De rechtbank verwijst de verdediging tijdens uitleveringsprocedures naar de Minister. Op 5 november heb ik met een aantal anderen aan de Vaste Kamercommissie voor Justitie van de Tweede Kamer een petitie overhandigd teneinde deze veranderingen te bewerkstelligen. De Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten heeft tijdens een congres in Maastricht besloten eenzelfde petitie aan de Tweede Kamer te zenden, aan welke beslissing op 19 november 2002 uitvoering is gegeven, daarbij verwijzend naar de reeds ingediende petitie. Femke Halsema diende half november 2002 samen met Boris Dittrich en Jan de Wit een motie in bij de Tweede Kamer met dezelfde strekking. Terwijl er de nodige gesprekken met politici van verschillende partijen werden gevoerd kwam de motie vroeger dan verwacht in stemming en haalde het niet. Er zal na de kabinetsformatie een nieuwe motie moeten komen. Ik zal daar bij verschillende politici op aandringen en heb dienaangaande al toezeggingen van fractieleiders gekregen. Wij, burgers en juristen van Nederland, moeten samen laten zien dat wij niet bang zijn voor de Verenigde Staten en dat wij voor onze burgers een eerlijke berechting eisen. Het vertrouwen in andere rechtssystemen mag niet grenzeloos zijn.
Mr. Mark Teurlings
© Kluwer 2003
|
|